TAAL ALS DE WERKELIJKHEID
Ik kom er steeds vaker achter dat er, nog voordat ik mijn zin heb uitgesproken, aan de overkant al een vertaalslag is gemaakt. En als het niet bevalt wat hij — een van mijn twee mannen — gedecodeerd heeft, dan is daar al sprake van de Sjaak-afhaakmethode, en kun je het wel vergeten dat hij je gehoord heeft, laat staan begrepen.
Nu kan het zijn dat mijn zinnen te lang zijn; daar word ik actief van beschuldigd, plus dat ik uiteraard te voorspelbaar ben. Ik begrijp dat goed. Zodra ergens in de zin het woord opruimen valt, zijn beide al afgehaakt bij op… maar ik kan net zo goed opschuiven bedoelen, oppotten, opzetten, oppassen… afijn, je snapt het wel. Ze zijn getraumatiseerd, en nu kan ik geen enkel woord dat met op- begint meer toepassen, want dan valt hun systeem gewoon acuut uit. Er zijn meer van dat soort woorden. 'Heb je even tijd?' is ook zo'n zin, waar ze direct van achteruitdeinzen en een overvolle agenda veinzen. Het blijkt dat we sommige dingen gewoon niet willen horen — en geloof me, ik ben daar net zo schuldig aan.
We trappen er te vaak in, vooral als we een ander weer eens willen uitleggen waarom iets is zoals het is, wat ons gevoel is, wat er daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. We gebruiken taal alsof die de werkelijkheid exact kan duiden, maar als we het goed onder de loep zouden nemen, groeit waarschijnlijk het besef dat taal slechts een instrument is — en soms een hele gebrekkige ook nog eens. Psychologen noemen dat naïef realisme: het idee dat wij de wereld zien zoals hij écht is, en dat wie het anders ziet dus wel onwetend of bevooroordeeld moet zijn — want als mijn woorden de werkelijkheid zíjn, dan moeten die van jou wel dwaling zijn.
'Lost in My Head' – tekening - 32 x 24 cm | 2021
(…) Je hebt namelijk te maken met interpretatie en associatie. Je hebt te maken met referentiekaders, met culturele en situationele context. Angst en liefde spelen een rol, en je opvoeding evenzeer. Als we niet óók onze mimiek en lichaamstaal zouden hebben, waren we er misschien eerder achtergekomen dat woorden bij lange na niet de ervaring kunnen overbrengen. In veel gevallen. Misschien zelfs in alle.
Je hebt de zender, die zorgvuldig moet zijn, een goede woordenschat moet bezitten, inzicht in de materie moet hebben en in staat moet zijn het onderwerp te brengen (pure dramatiek). En dan is er de ontvanger. Die moet genoeg interesse hebben in de persoon én in het onderwerp, de taal op waarde kunnen schatten, dezelfde interpretatie en associatie bij de woorden hebben, en in staat zijn de juiste beelden op te roepen.
Wanneer weten we dan dat de boodschap is overgekomen? Als de ander zegt: 'Ah, zit dat zo.' Of: 'Fascinerend. Je kon best wel eens gelijk hebben.' Of als er een verdiepende vraag komt. Dat typeert meestal wel de echte luisteraar. En dan niet vragen als: 'Waar heb je dat patatje dan gegeten?' of 'Waren er nog meer van die jurken in de aanbieding?' Kan verhelderend werken, maar niet per se verdiepend.
Zoals ik aan het begin al aangaf, zijn er nogal wat beperkende mechanismen aan de gang zodra er gecommuniceerd wordt, en die staan de informatie-uitwisseling flink in de weg. Eén ervan wordt selectieve blootstelling genoemd, en de Sjaak-afhaakmethode is daar een prachtig voorbeeld van. Als het nooit ter discussie komt, kun je er ook geen andere gedachtegang over ontwikkelen.
En waaróm haken we dan af? Omdat er iets onprettigs ontstaat, en dat heeft een mooie naam: cognitieve dissonantie. Op het moment dat er informatie wordt gedeeld die afwijkt van de eigen opgebouwde overtuiging, ontstaat er ongemak — en dat moet hoe dan ook vermeden worden. Voor de rechttoe rechtaan mensen onder ons wordt het ook wel 'de kop in het zand steken' genoemd.
Laten we eerlijk zijn: mijn mannen voelen eenvoudigweg niet de behoefte om op te ruimen, of om tijd te besteden aan discussies waarvan zij het belang niet inzien — en je zou dit prima onder die noemer kunnen schuiven. Maar de echte problemen ontstaan natuurlijk als er iets wezenlijks in je omgeving verandert, of anders blijkt te zijn dan je had gedacht, en je wereldbeeld daardoor zo aan het wankelen wordt gebracht dat je het eenvoudigweg niet aankunt. Neurologisch word je dan geholpen, door de informatie gewoon terzijde te schuiven. In sommige gevallen is dat een prima overlevingsmechanisme, want je weet wat ze zeggen over stress. Mocht het je echter actief weghouden bij een nieuwe waarheid die belangrijk zou kunnen zijn voor, zeg, je gezondheid, je sociale cohesie, je veiligheid of die van de mensen om je heen, dan is het weer niet zo handig.
Het specifiek vasthouden aan je standpunt — en je kent de mensen heus wel die op feestjes over politiek of geloof beginnen en geen enkele ruimte laten voor de ander — heet belief perseverance. En dan heb je nog een afgeleide daarvan, waar ik in gesprekken met mijn man of vrienden wel eens naar verwijs. Zoekt en gij zult vinden, oftewel confirmation bias: je hebt een bepaalde overtuiging en je gaat op zoek naar de bewijslast ervoor. Gegarandeerd dat de gekleurde bril ook echt voor de gekleurde informatie gaat zorgen. En dan is er nog motivated reasoning — ik noem het even, omdat het zo leuk is om met moeilijke woorden te strooien — wat zoveel betekent als: naar de gewenste uitkomst toe redeneren. Je ziet het veel in de politiek en in de zogenaamde debatten.
En nu ga ik voorbeelden geven (los van mijn mening). Let op wat er gebeurt.
Bij minstens één ervan denk jij: precies, eindelijk iemand die het ziet. En bij minstens één andere denk je: dáár doet ze het zelf, hoor. Dat is nou net waar het om gaat.
Linksom of rechtsom: de wolf moet een kans krijgen in Nederland — ongeacht de verscheurde veestapels en de kleine meisjes die niet meer alleen op de fiets durven — OF houtkachels moeten er helemaal uit, we leven niet meer in de 17e eeuw — ongeacht wie zijn huis daarmee betaalbaar warm houdt — OF CO2 laat de natuur juist bloeien, waarom zulke rigide regels — ongeacht wat vrijwel elk klimaatinstituut ter wereld erover concludeert.
Voel je het? Ikzelf wel. I rest my case.