Een mosterdzaadje

Een stad vol zaadjes

De monnik was jong, en hij had haast. Hij had al maanden gemediteerd en gevast, en nog steeds wist hij niet hoe lang dit allemaal zou duren. Dus op een middag in het Jetavana-park, toen de Boeddha onder de bomen zat, knielde hij neer.

‘Heer, hoe lang duurt een eon?’

De Boeddha keek hem aan. ‘Lang, monnik. Te lang om te tellen. Niet in jaren, niet in honderden jaren, niet in duizenden of honderdduizenden.’

De monnik schoof ongeduldig heen en weer. ‘Kunt u het dan niet in een beeld zeggen?’

‘Dat kan.’ De Boeddha raapte een handvol aarde op en liet die door zijn vingers lopen. ‘Stel je een stad voor met ijzeren muren. Een dagmars lang, een dagmars breed, een dagmars hoog. En die stad is tot aan de rand gevuld met mosterdzaad.’

De monnik zag het voor zich: een eindeloze zee van piepkleine gele korreltjes.

‘Eens in de honderd jaar,’ ging de Boeddha verder, ‘komt er iemand langs die er één zaadje uithaalt. Eén. En dan gaat hij weer weg, voor honderd jaar.’

Het werd stil.

‘Die stad zou leeg zijn,’ zei de Boeddha, ‘en de eon zou nog niet voorbij zijn.’

De monnik zei niets. Hij dacht aan zijn eigen ongeduld, aan zijn paar maanden van vasten.

‘En het is niet één eon,’ zei de Boeddha. ‘Het zijn er zoveel dat je ze niet kunt tellen. Een begin van dit ronddolen is niet te vinden. Al die tijd hebben we pijn gekend. Verlies gekend. Zoveel, dat de begraafplaatsen ervan vol zijn.’

De monnik boog zijn hoofd. ‘Dat is… veel, heer.’

‘Ja,’ zei de Boeddha, en hij glimlachte. ‘Genoeg om ermee op te houden. Genoeg om je los te maken. Genoeg om vrij te zijn.’

De monnik stond op. Het was nog altijd middag, de vogels zongen nog altijd. Maar hij had geen haast meer.

Naar de Sāsapa Sutta, Saṃyutta Nikāya 15.6, boeddhistische Pali-canon.

Over dit verhaal

De bron

Dit verhaal komt uit de Sāsapa Sutta, ‘de tekst over het mosterdzaad’: Saṃyutta Nikāya 15.6. Die hoort bij de Pali-canon, de oudste volledig bewaarde verzameling boeddhistische teksten. Ze werden eeuwenlang van mond tot mond doorgegeven en rond de eerste eeuw voor Christus op Sri Lanka op palmbladeren geschreven. De sutta zelf is heel kort: een vraag, een beeld, een conclusie. De navertelling hierboven kleurt het tafereel eromheen een beetje in.

Oorsprong en cultuur

De sutta staat in hoofdstuk 15 van de Saṃyutta Nikāya, dat Anamatagga heet: ‘zonder aanwijsbaar begin’. Alle teksten in dat hoofdstuk gaan over saṃsāra, de eindeloze kringloop van geboorte, dood en wedergeboorte, en zoeken beelden voor de duizelingwekkende lengte ervan. In de tekst ervoor (15.5) is het een berg van massief rots die eens in de honderd jaar met een zijden doek wordt aangeraakt: de berg slijt eerder weg dan het eon voorbij is. Het idee van eonen (kalpa’s) deelt het boeddhisme met het hindoeïsme en het jaïnisme. De ‘dagmars’ in het verhaal is een yojana, een oude Indiase afstandsmaat: ongeveer de afstand die een ossenspan op een dag aflegt.

Het mosterdzaadje

Hier is het zaadje geen symbool van groei, maar een rekeneenheid: het kleinste wat er is, om iets onmetelijks mee te meten. En de Boeddha rekent niet om de monnik te ontmoedigen. Juist in het besef dat er al zo veel is geleden, ligt de uitnodiging om niet langer te wachten, maar los te laten. In het boeddhisme houdt karma (kamma) die kringloop in beweging: je bewuste daden hebben gevolgen, in dit leven en daarna. Bevrijding (nibbāna) is het einde ervan.

Het mosterdzaadje reist

Het mosterdzaadje duikt in veel tradities op als het kleinste wat er is. In de Talmoed is ‘zo groot als een mosterdzaadje’ de maat voor de kleinst denkbare hoeveelheid. En in de Koran staat het voor de kleinste daad die toch wordt gewogen: ‘al was het maar het gewicht van een mosterdzaadje, Wij zullen het tevoorschijn brengen’ (soera 21:47, zie ook 31:16). Misschien komt dat nog het dichtst bij de vraag uit de column: of alles wat we doen, ergens wordt bijgehouden.

Verder lezen

Kies een zaadje

Je ziet niet wat erin zit. Dat is precies de bedoeling.