Een mosterdzaadje

Het huis zonder verlies

De zon stond al hoog boven Savatthi toen Gotami voor de zoveelste deur stond, haar zoontje op haar heup. Zijn hoofdje rustte tegen haar schouder, alsof hij sliep.

‘Heeft u een medicijn voor hem?’

De vrouw in de deuropening keek naar het kind en deinsde terug. ‘Meisje… hij is dood.’

‘Hij slaapt,’ zei Gotami. ‘Hij heeft alleen een medicijn nodig.’

Achter haar werd gelachen. Iemand riep dat de magere Gotami gek geworden was. Ze liep door.

Aan het eind van de straat zat een oude man in de schaduw. Hij keek haar lang aan. ‘Ik heb geen medicijn,’ zei hij zacht. ‘Maar ik weet iemand die je misschien kan helpen. Ga naar de Boeddha.’

De Boeddha zat onder de bomen van het Jetavana-park. Hij keek niet weg, zoals de anderen. Hij keek naar het kind, en toen naar haar.

‘Ik kan je helpen,’ zei hij. ‘Breng me een handje mosterdzaad.’

Gotami’s gezicht klaarde op. Mosterdzaad! Dat stond in elke keuken.

‘Maar,’ zei hij, ‘het moet komen uit een huis waar nog nooit iemand is gestorven.’

Ze rende terug naar de stad. Bij de eerste deur gaf een vrouw haar meteen een handvol.

‘Is hier ooit iemand gestorven?’

De vrouw keek haar verbaasd aan. ‘Mijn vader. Vorige winter.’

Gotami gaf het zaad terug. Bij het volgende huis was het een dochter. Daarna een man. Een grootmoeder. Een baby, nog geen week oud.

‘De levenden zijn met weinigen,’ zei een oude vrouw. ‘De doden met velen.’

Toen de lampen werden aangestoken, stond Gotami stil op straat. Ze had geen enkel zaadje. Haar zoontje woog zwaar op haar heup. En voor het eerst zag ze de lichtjes achter de ramen als wat ze waren: in elk huis woonde iemand die iemand miste.

Ze bracht haar kind naar de plek buiten de stad en legde hem neer.

Toen ze terugkwam, vroeg de Boeddha: ‘Heb je het mosterdzaad?’

‘Het is niet meer nodig,’ zei ze.

Naar het Dhammapada-commentaar en de Therīgāthā, boeddhistische overlevering.

Over dit verhaal

De bron

Het verhaal van Kisā Gotamī is een van de bekendste verhalen uit het boeddhisme. De uitgebreidste versie staat in het commentaar op de Dhammapada, bij vers 114: ‘Beter één dag leven waarin je het doodloze ziet, dan honderd jaar zonder het te zien.’ Dat commentaar werd rond de vijfde eeuw na Christus op Sri Lanka op schrift gesteld, maar put uit veel oudere mondelinge overlevering. Gotamī’s eigen woorden staan in de Therīgāthā (10.1), de ‘verzen van de oudere nonnen’: een van de oudste bewaarde verzamelingen gedichten van vrouwen ter wereld.

Oorsprong en cultuur

Het verhaal speelt in Sāvatthī, de hoofdstad van het koninkrijk Kosala in Noord-India, in de vijfde eeuw voor Christus. Gotamī kwam uit een arm gezin; kisā betekent ‘mager’ in het Pali, de taal van de vroegste boeddhistische teksten. In de familie van haar man werd ze pas gerespecteerd toen ze een zoon kreeg. Met het jongetje verloor ze dus niet alleen haar kind, maar ook haar plek. Het Jetavana-park, waar de Boeddha zat, was een kloostertuin die de rijke koopman Anāthapiṇḍika hem had geschonken. Na deze dag liet Gotamī zich wijden tot non. Volgens de overlevering bereikte ze de verlichting, en de Boeddha noemde haar de voornaamste van de nonnen die in ruwe, versleten gewaden gingen.

Het mosterdzaadje

Mosterdzaad was in India een alledaags keukenkruid; elk huis had het in huis. Daarom lijkt de opdracht zo eenvoudig, en juist daardoor werkt hij. De Boeddha geeft Gotamī geen uitleg en geen troost van buitenaf. Hij geeft haar een zoektocht, waarin ze deur na deur zelf ontdekt wat geen woorden haar hadden kunnen vertellen: dat verlies niet háár straf is, maar iets wat iedereen met haar deelt. In de boeddhistische leer heet dat anicca, vergankelijkheid: alles wat ontstaat, gaat ook weer voorbij.

Het mosterdzaadje reist

Het mosterdzaadje duikt in veel tradities op als het kleinste wat er is. In de Talmoed is ‘zo groot als een mosterdzaadje’ de maat voor de kleinst denkbare hoeveelheid. En in de Koran staat het voor de kleinste daad die toch wordt gewogen: ‘al was het maar het gewicht van een mosterdzaadje, Wij zullen het tevoorschijn brengen’ (soera 21:47, zie ook 31:16). Misschien komt dat nog het dichtst bij de vraag uit de column: of alles wat we doen, ergens wordt bijgehouden.

Verder lezen

Kies een zaadje

Je ziet niet wat erin zit. Dat is precies de bedoeling.