TIJD OM TE DROMEN
Het meisje met de invlecht in het haar kijkt het raam uit, haar hoofd in haar handen, starend naar de blauwe hemel, de wolken die voorbij zweven, de vogels die beweeglijk heen en weer vliegen om hun nesten te bouwen. Het zou waanzin zijn om niet naar buiten te kijken en in plaats daarvan haar blik te fixeren op de meester voor de klas, het grijze bord volgekliederd met grammaticale begrippen, de klasgenoten die net zo wezenloos de ruimte in staren. Wat zou dat een gekke keuze zijn — een opgelegde keuze vooral, een beperking van haar innerlijke vrijheid. Daar waar niemand bij kan, zou ook niemand beslissingen over mogen nemen. Haar belevingswereld is enkel en alleen de hare, en die wordt gevoed door waar haar blik naartoe mag zwerven.
'Meneer en mevrouw de Vries, u begrijpt toch ook wel dat het hoogst ongewoon is dat uw dochter zo naar buiten staart en op deze wijze weinig belangstelling toont voor de lessen?' De vader en moeder knikken. Ze weten amper wat ze moeten zeggen. Hun dochter is nu eenmaal zo. Zij kennen haar niet anders. Mevrouw trekt de stoute schoenen aan en durft met een wedervraag te komen. 'Kan ze niet goed meekomen door haar dromerige gedrag?' De meester, die nu een verbeten trek om zijn mond krijgt, kijkt mevrouw aan en zucht dan. 'Nee, ze haalt goede cijfers… dat is niet het probleem.' De moeder moet op haar tong bijten, want wat is dan wél het probleem?
Dat meisje was ik.
'Time to Dream' – graphic print | drawing (oplage max. 10) | 37,5 x 27 cm | 2013
(…) De droom — of het nu een dagdroom is of de overgave die iedere nacht plaatsvindt — beide kanten op trekken ze me, fascineren ze me, houden ze me bezig, en fungeren ze uitstekend als een manier om te ontsnappen aan wat ik met regelmaat de kleurloosheid van mijn werkelijkheid vind. Als klein meisje dus al. Is het vluchtgedrag? Wat is dat toch precies, die droom? Waar gaan we heen in de droom? Bepaal je zelf volledig het landschap, of is er iets groters dan ons voorstellingsvermogen dat er ook deel van uitmaakt?
Volgens Heraclitus, rond 500 voor Christus, delen de wakenden één gemeenschappelijke wereld, terwijl wie slaapt zich afkeert naar een wereld van zichzelf — in wat oudere bewoordingen, dat wel. De droomwereld was voor hem een innerlijke wereld waar anderen geen toegang toe hadden, zonder gemeenschappelijke noemer. Schopenhauer zag dat een beetje anders. Hij beredeneerde dat leven en dromen bladzijden uit hetzelfde boek zijn. In het wakkere domein heeft het boek samenhang, in de droom wordt erin gebladerd.
Jung gelooft in een collectief onbewuste, en daar kan ik in gedachten een heel stuk met hem meegaan. Het is de rode draad onder de beelden die ik maak en de verhalen die ik schrijf. Zie ook 'Junk-DNA', de ruggengraat van al mijn werk. Dat onbewuste, die gedeelde laag, is alleen abstracter van vorm en bestaat uit archetypen en een boel symboliek. De beelden die in de droom worden opgeroepen, fungeren als metaforen: de oude wijze, de schaduw, de geboorte, de reis, de moeder, ga zo maar door. Dat maakt droomduiding tot een serieuze bezigheid: mensen komen vaak dichter bij zichzelf als ze hun dromen werkelijk onderzoeken, maar tegelijkertijd ook dichter bij hun soort, het collectief, de ander. Social Dreaming (Gordon Lawrence) is de praktijk waarin mensen samen hun dromen bespreken en zo de kern van hun cultuur, hun gemeenschap en de tijd waarin ze leven onderzoeken.
De Franse filosoof Gaston Bachelard schreef La poétique de la rêverie (1960), en hij maakt een onderscheid tussen de droom die 's nachts plaatsvindt en de dagdroom, zoals die van het meisje dat door het raam keek. Hij stelt dat je er 's nachts niet bij bent (al zou de lucide droom daarop de uitzondering kunnen zijn). De rêverie, de mijmering of dagdroom, is anders. Je bent er dan half wel, half niet. Er is een bewustzijn dat meekijkt en geniet. Mijmeringen waren volgens hem geen vlucht, maar een bron van poëzie. Het is een pak van mijn hart, want dan mag ik mijn vluchtgedrag dus ook zien als momenten van pure inspiratie. Zo werkt het in mijn optiek als kunstenaar ook precies. De beste ideeën vind je op de momenten waarop de gedachtewereld vrij is van rationeel denken en gewoon zijn gang mag gaan, de reis mag maken naar dat nieuwe concept dat het begin is van een volgend werk of verhaal.
Iets vergelijkbaars zei Jung al in 1912, in Symbolen der Wandlung. Hij onderscheidt twee manieren van denken: gericht denken — talig, logisch, aangepast aan de werkelijkheid, het denken van het schoolbord — en fantasiedenken, dat in beelden werkt, associatief, dromerig. Jung zag dat tweede denken niet als een afwijking, een manier om de werkelijkheid uit de weg te gaan, maar als een oudere, even legitieme vorm. De meester voor de klas vroeg om het eerste, en het meisje deed het tweede. Insubordinatie, dat is wat het is ;-)
Sartre ging in L'imaginaire (1940) nog een stapje verder. Voor hem is verbeelden het vermogen om iets voor te stellen wat er níét is — en juist dat vermogen bewijst dat het bewustzijn vrij is. Wie kan verbeelden, zit niet opgesloten in wat er voor hem staat. Toen ik schreef over de innerlijke vrijheid van het meisje, een plek waar niemand bij kan, ging het precies over de vrijheid waarover Sartre theoretiseert.
Goed om te weten is dat Freud niet de uitvinder van het onbewuste is (zoiets vind je natuurlijk ook niet uit, hooguit ontdek je het — en zelfs dat deed hij niet als eerste). Leibniz sprak rond 1700 al over petites perceptions: waarnemingen die te klein zijn om bewust te worden maar ons wel sturen, zoals het geruis van de zee, dat bestaat uit duizenden golfjes die je afzonderlijk niet hoort. De Romantici, zoals Carus, zagen het onbewuste als de creatieve kern van de ziel, en Eduard von Hartmann schreef in 1869 een complete Filosofie van het onbewuste. Freud maakte er later een kelder van, vol verdrongen wensen. Jung sleepte het geheel de kelder weer uit en dacht verder in de lijn van de Romantici: het onbewuste als bron, niet als stortplaats.
In mijn woonkamer staat Jungs Rode Boek vrij prominent, om er zo nu en dan eens in te sneupen. Het staat vol met zijn visioenen en dromen, met tekeningen en schilderingen erbij. Actieve imaginatie noemde hij dat (1913–1916): je laat een beeld opkomen en gaat er daarna wakker mee in gesprek. Het is eigenlijk precies wat ik doe als ik een verhaal schrijf zoals Omaria, of een beeld maak. Het ontstaat, en pas daarna worden de vragen gesteld, de bewegingen geduid en wordt er geluisterd naar wat het beeld wil vertellen. Jungs boek is niet het soort dat je van voor naar achter leest, maar het geeft prachtige indrukken van verbeeldingskracht op z'n best, en van de gemeenschappelijke symboliek die volgens hem kenmerkend is voor dromen. Het is ook een manier om jezelf onder de loep te nemen; je kunt het inzetten voor wat schaduwwerk heet. Een diepteonderzoek naar de ondoorgrondelijke gangen van je onbewuste, naar wat je beweegt en waardoor je getriggerd wordt.
Om terug te komen op het meisje bij het raam. Ze was niet bij de les. Nee. Niet bij díé les misschien, maar die reis naar het land van de verbeelding heeft haar toch wat gebracht. Het heeft mij de vrijheid gegeven om mijn eigen verhalen te creëren en ze even serieus te nemen als de verhalen die zich om ons heen afspelen. Wie zegt dat er alleen stilgestaan moet worden bij wat tastbaar is? Ieder verhaal dat zich in je hoofd afspeelt, heeft een les in zich, een mooi inzicht. Als ik schrijf, heb ik altijd het gevoel dat het verhaal me in meer of mindere mate wordt aangereikt, alsof er ergens een luikje opengaat dat me de weg wijst naar de woorden. Het zou zomaar ons collectieve onbewuste kunnen zijn, wie weet. Fascinerend, niet?