Iedere week schrijf ik een persoonlijke column over waar jij en ik zoal tegenaan lopen — eerlijk, met een filosofisch randje en af en toe een glimlach. Benieuwd? Laat je emailadres achter, dan ontvang je wekelijks van mij een reflectie.
Zoethoudertje
Het woord werd rond 1800 voor het eerst gebruikt, als men de geschiedenisboeken mag geloven. Baby's die in die tijd maar bleven huilen, kregen een speen ingesmeerd met suiker of een suikerzakje om aan te sabbelen, en werden daar rustig van. Nu snap je de uitdrukking 'wat een zoet kind' misschien ook beter. Wat mij betreft wordt in dit hele kleine stukje geschiedenis al duidelijk hoezeer het gewenst was, toen al, om de mens (de hele kleine mens zelfs) — tijdelijk — zijn mond te snoeren. En suiker was daarvoor een probaat middel.
Waarom is suiker zo verleidelijk? De behoefte eraan is van existentiële aard en onze hersenen zijn erop geprogrammeerd. Lang geleden was iets zoets vinden, in de vorm van fruit, zeldzaam, en het betekende twee dingen: snelle energie en veiligheid (tijdelijke opheffing van honger). En ook hier komt het woord dopamine weer om de hoek kijken, want dat is het 'willen'-stofje dat wordt aangemaakt zodra er suiker het menselijke systeem binnenkomt. Het drijft je naar de beloning toe en het wekt je verlangen op, verlangen naar meer. De grap is dus dat we biologisch worden zoetgehouden (je wordt niet gestild maar aan de praat gehouden) door Moeder Natuur. Voor overleving is het namelijk belangrijk ernaar op zoek te blijven gaan. (Bittere planten daarentegen waren vaak giftig — geen neurologische beloning.) Een 'feilloos' systeem dat goed werkte toen we onze voeding nog uit de natuur haalden en de signalen van ons lichaam beter begrepen.
'Beautiful Jungle' — digital art collage from the You + Me series | 90 × 90 cm | 2016