in de serie herinneringen
Hij ligt naast me, rustig ademhalend. De slaap heeft hem eindelijk ingehaald en hoe kan het ook anders. Het lieve mannetje heeft alles gegeven vandaag. Omvallen is het enige resultaat dat erop kan volgen. Vanochtend bij dag en dauw, zeer letterlijk, opgestaan. Ik wil op mijn sub stappen en de wijde wereld intrekken zoals vaker ‘s ochtends, maar mijn zoontje heeft al eerder gevraagd of hij eens mee zou mogen op de sub. Met deze kou lijkt me dat niet een goed idee, dus stel ik een wandeling voor. ‘Maar papa gaat toch ook mee?’ Ik hoor een kreun onder de deken vandaan komen en moet inwendig een beetje gniffelen. En of hij voor de bijl gaat, hij is niet bestand tegen de smeekbedes van zijn enige kind. En inderdaad, ondanks zijn overduidelijke tegenzin hijst hij zichzelf uit bed. Als het jongetje eens wist waartoe hij zijn vader allemaal aan zou kunnen zetten. Ik loop alvast met mijn zoontje vooruit: ‘Kom op, kleren aan!’ en dat herhaal ik meestal nog een paar keer voordat hij zich aan mij overgeeft en zich laat aankleden. Het maakt niet uit, papa heeft toch nog wat tijd nodig. Een diepe zucht hoor ik uit de slaapkamer komen. Ik weet dat hij niet zo’n wandelaar is, dat hij hier sowieso nu niet zo voor te porren is… Ik fluister in het kleine ventje zijn oor: ‘Misschien kunnen we wel met het bootje gaan?’ Hij begint te stralen en ik weet dat we al niet meer terug kunnen. ‘Maar dan moet je dat wel eerst aan papa vragen’, zeg ik nog steeds zachtjes. Als hij rennend de slaapkamer in stuitert met de prangende vraag op zijn lippen, zie ik daaropvolgend een opgeluchte vader gapend zijn kleren zoeken in zijn werkkamer. Iedereen gelukkig.
‘Rietfloepertje’ – tekening, 14 × 11 cm, 2023 | inmiddels toegeëigend door mijn moeder
Deze ochtend is misschien nog overweldigender dan die van een paar dagen eerder. Er ligt dauw op het water en het is ijskoud. De vogels begroeten ons met luid gekwetter, alsof ze willen zeggen: ‘Hallo-ho, joe-hoe! De ochtend is begonnen. De dag is gestart! Waar blijft iedereen?’ Op dezelfde luid zingende wijze sluiten ze trouwens de dag ook vaak af. We genieten intens van de wereld die langzaam opdoemt uit de mist, en terwijl achter ons de volle maan nog aan de hemel prijkt, begint voor ons heel voorzichtig de zon zijn rode hoofd te laten zien. Magnifiek, overweldigend mooi, verbijsterend, inspirerend. Geen van ons drieën kan het volledig omvatten, maar we realiseren ons wel dat we omgeven worden door iets buitengewoon bijzonders. En het ligt voor het grijpen. Het is gratis. Deze bijzondere wereld, de maagdelijkheid van het moment waarop de nacht overgaat in de dag en de maan en zon elkaar nog even kort begroeten. Deze ervaring is voor ieder van ons toegankelijk op de een of andere wijze. Tenzij je vrijheid niet gewaarborgd is, maar anders kun je ervoor kiezen deze ervaring op te doen, keer op keer op keer. Steeds weer in een net andere hoedanigheid, maar iedere keer grijpt het me opnieuw aan, schudt het me wakker, blaast het moment me nieuw leven in, bezorgt de ervaring mij mentaal kippenvel. Ik adem diep in, trek mijn lieve kleine vriendje bij me op schoot, kus hem op zijn zachte wang en fluister zachtjes: ‘Mooi hè?’ Dit is dus ook de wereld waarin we leven. Een ander moment op de dag, een ander perspectief.
Alsof we een sprookje invaren, gesluierd door de mist, ontmoeten we de wezens die het landschap bewonen. De fuut met zijn rare petje op duikt weg en komt een stukje verder weer boven. De meerkoet duikt het riet in. De lammetjes kijken ons nieuwsgierig aan en zijn ondertussen hun ontbijt tussen hun kiezen aan het vermalen. Hele kleine vogeltjes in het riet die een vreemd tokkelend geluid maken, afgewisseld met hoge heldere wijsjes. ‘Dat zijn de Friese riet-floepertjes’, zegt papa en ik schiet in de lach. Hij heeft ze ook nog niet eerder gezien en wordt net zo vrolijk van de riethupsende rakkertjes als mijn zoontje en ik. Over floepen gesproken, denk ik, en wijs voor mijn zoontje naar twee paar zachte lange oortjes die net boven het dijkje uitsteken. ‘Haasjes!’, roept hij enthousiast en weg zijn ze. Weggefloepert in een wip. ‘Waarom gaan ze zo snel weg?’, vraagt hij duidelijk uit zijn doen. Alsof de hazen hem persoonlijk beledigd hebben door niet blij te zijn met ons gezelschap. ‘Het zijn gewoon bangepoeperds’, zeg ik gekscherend. En op de valreep, vlak voordat we ons omkeren omdat de kou zijn grip versterkt, zien we twee kleine reetjes. Dankzij het tegenlicht slechts de silhouetten, maar dat versterkt alleen maar het wonder ervan. Ook zij verdwijnen zodra ze ons bemerken. We hebben hun rust verstoord voor even, maar onze eigen rust gevonden. De ontmoeting met de fauna van het achterland van Stavoren is een waar genoegen. Mijn zoontje glundert van oor tot oor, ondanks het geril. Ik druk hem nog steviger tegen me aan, deels ook om mezelf te verwarmen.
Het blijkt slechts een voorbode te zijn. Later op de dag zien we paarden, een grote stier, kalfjes van heel dichtbij, de grootste groep zwanen die ik ooit in mijn leven gezien heb, drijvend in het IJsselmeer bij de kust van Mirns, een labradorpuppy die we mogen aaien, kippen, en waarschijnlijk vindt mijn zoontje het niet noemenswaardig, maar ik wil het kleine spinnetje op de trampoline niet verzwijgen. Waar heb je een dierentuin voor nodig als dit je gegeven wordt? We zijn rijk, dierenrijk. Het dierenrijk ligt vandaag aan onze voeten. En terwijl ik geniet van mijn lieve schatje, opgekruld in zijn bed, zijn handje beschermend voor zijn gezichtje, voel ik me alweer gezegend. Met de dag, met de ontmoetingen onderweg en boven alles met het feit dat wij als gezin ervan kunnen en mogen genieten. Slaap kindje slaap, lieve zoon van me. Daarbuiten loopt een schaap, twee haasjes, reeën, kalfjes, paarden, een spinnetje, een puppy… kippen, zwanen… slaap kindje slaap.