vlindertje ‘ammenooitniet’

Soms opent geluk zich niet door harder te vliegen, maar door zachter te fladderen.

Vlindertje ‘Ammenooitniet’ vloog door een laag wolkendek heen en maakte zich druk. Hij had een lange reis gemaakt als rups die maar niet genoeg bladeren kon eten en steeds maar weer op zoek was naar iets om zijn buik te vullen. De donkere dagen in de cocon hadden hem neerslachtig en verdrietig gemaakt en het wachten leek voor eeuwig te duren. Vriendjes van hem hadden aangegeven dat het wachten het meer dan waard zou zijn.

Er gaat een wereld voor je open straks, zeiden ze.

Vlindertje ‘Ammenooitniet’ zag het helaas niet zo zonnig in. Dat bleek zelfs toen hij, na de lange zit in zijn veeeeel te kleine huisje, zijn gigantische blauwe vleugels mocht uitslaan en zonder enige oefening of aarzeling zomaar de lucht in fladderde. Want zo heet dat als je een vlinder bent: fladderen. Dat had hij al horen zeggen. Vliegen is iets totaal anders, werd hem ingefluisterd.

‘Wees maar blij dat je een fladderaar bent,’ zeiden ze er dan voldaan achteraan. (…)

(…) Fladderen is een zorgeloze bezigheid. Met vliegen heb je altijd een bestemming. Fladderaars zijn dromers en mogen elk bloempje aandoen. Hoe lang ze ook blijven: het fladderen geeft de ware voldoening, niet het zijn op de bloem. Natuurlijk geeft iedere slok nectar een kick en vraagt dit om meer en meer en meer. En er zijn vlinders die er verslaafd aan raken, aan al die nectar. Maar de meeste vlinders geven de voorkeur aan het fladderen.

Het fladderen is moeiteloos. Er wordt om niets anders gevraagd dan er gewoon al fladderend zijn. En mocht je eens echt gek willen doen, dan doe je er een schepje bovenop en verdwaal je eindeloos in een fladderdans, alleen of met vriendjes en vriendinnetjes.

‘Denk maar niet dat de vliegers het zo goed hebben,’ zeiden ze dan. ‘Die opscheppers. Zij zweven weleens op de wind en ervaren ook de vrijheid van de hoogte en de beweeglijkheid, maar ze hebben ook een missie! Er moet van alles gebeuren onder de vliegers. Ze moeten nestjes bouwen, kindjes voeden, trekken naar warmere oorden, vluchten voor vijanden. De vliegers zijn altijd maar in de weer.’

Wij fladderaars bewegen ons moeiteloos van bloem naar bloem en genieten van ons korte leventje in het luchtruim.

Maar wat was het dan toch dat vlindertje ‘Ammenooitniet’ zo bedrukt? Waarom was hij geen onbezorgde fladderaar? Het leek hem allemaal zo veel moeite voor zo weinig vreugde. De hele weg ernaartoe was werken, werken, werken — en dat allemaal voor een paar daagjes fladderend ‘plezier’.

Om hem heen regende het grote druppels die hem bijna uit het luchtruim bombardeerden. De treurnis die hem toch al bezighield, verankerde zich steviger in hem. Hij zou wel nooit echt blij worden, schatte hij zo in. Want wat was hier nou om blij van te worden? Het doelloze leventje van een fladderaar werd behoorlijk overschat in zijn optiek.

Nee. Gelukkig zijn, Ammenooitniet. Het zit er niet in. Het komt er niet uit.

...and then there was light!’ - 34 x 24 cm | 2019

Maar dan gebeurt er iets vreemds.

Vlindertje ‘Ammenooitniet’ vliegt door een raar verschijnsel in de lucht: een straal die zich dwars door een wolk heen perforeert en een stukje van het land onder hem plotseling oplicht.

Verbaasd dwarrelt hij om de straal heen. Voorzichtig durft hij erdoorheen te vliegen.

En daar — binnen in de straal — voelt alles anders.

Het is warm. Het is licht. De deeltjes in de lucht sprankelen als kleine diamantjes. Vlinder ‘Ammenooitniet’ trekt zijn niet-bestaande wenkbrauwtjes op en lacht zijn allereerste lachje. Kort. Voorzichtig. Want werkelijk geloven doet hij het nog niet.

De waterbommen zijn verdwenen. En hier en daar ontstaan er door de wolken heen van die vreemde openingen.

Gelukspoorten, denkt de kleine fladderaar.

Want waarom voelt hij zich zo enorm anders — zo opgelucht, zo verwarmd, zo gekoesterd en geliefd — precies op het moment dat hij het licht ervan betreedt?

Een gevoel van avontuur komt over hem. Hij probeert omhoog te fladderen, richting het begin van de gelukspoort. Iedere meter die hij hoger komt, neemt zijn vreugde toe. Tegelijk voelt hij in zijn buikje dat hij ook te ver zou kunnen gaan. Dat deze wereld van licht en warmte misschien een keerzijde heeft.

Toch kan hij het niet laten. Hoger. En nog hoger.

Tot het te warm wordt voor zijn vleugeltjes en hij instinctief weet: nu is het genoeg.

Met zweet op zijn voelsprietjes beweegt hij zich weer even buiten de straal. En daar, tot zijn verrassing, is het ineens heerlijk. De koelte en frisheid geven hem nieuwe energie, alsof hij opgeladen wordt.

Wanneer de frisheid langzaam omslaat in rillerigheid en kouwelijkheid, danst hij weer terug de gelukspoort in. Hij laat zich eenvoudigweg opwarmen en opnemen in de behaaglijkheid ervan.

Zijn eerste dans ontstaat vanzelf. Heen en weer fladdert hij tussen deze voor hem zo verschillende werelden. Hij voelt het verschil op zijn vleugels, aan zijn voelsprietjes, in zijn hele zijn.

Steeds weer vliegt hij de wolk in — en steeds weer terug het licht in.

En dan begrijpt hij het eindelijk.

Fladderen is fantastisch.

Fladderen is ontdekken, helemaal vanzelf, zonder moeite te doen. Fladderen is ervaren dat warm heerlijk is na koud, en koud verfrissend fijn na warm. En dat beide hem vreugde brengen — zolang hij niet opgescheept zit met alleen het één of het ander.

Hij heeft ze allebei nodig om gelukkig te zijn.

Zijn ranke, diepblauwe vleugeltjes fladderen nu uit liefde. Al fladderend schudt hij zijn oude naam van zich af, zoals hij eerder zijn cocon had afgeschud. De tevreden avonturier in hem is geboren.

En zo wordt vlindertje ‘Ammenooitniet’, met elegant op- en neerggaande fladdervleugels, vanaf die dag vlindertje ‘Ammeabsoluutwel’ genoemd.

En zo voelt hij zich ook.

Ieder fladderig moment weet hij: hij is absoluut wel gelukkig. En er valt nog zóveel te fladderen en te ontdekken. Dat hebben de gelukspoorten hem laten zien.

Alleen… er is wel iets geks aan de hand.

Wanneer hij anderen vertelt over de gelukspoorten, wordt hij raar aangekeken. Zijn vriendjes halen hun bovenste vleugeltjes op van verbazing.

Niemand heeft er ooit van gehoord.

En misschien — denkt vlindertje ‘Ammeabsoluutwel’ terwijl hij verder fladdert — zijn sommige poorten er niet om uitgelegd te worden.

Misschien zijn ze er alleen om doorheen te vliegen.

Volgende
Volgende

een kleine demonstratie